Geschiedenis Willibrordus

Willibrordus: “Pelgrim ter wille Gods”

door Peter Koenis

Als je van de oude Dorpskerk aan het Plein in Wassenaar door de Langstraat loopt naar de Lange Kerkdam, dan ben je bijna drie meter gedaald. Let maar eens op de stoepen voor de winkels. Die liggen horizontaal. Maar de Langstraat loopt geleidelijk omlaag.De verklaring van dit gegeven is dat de oude Dorpskerk is gebouwd op het hoogste gedeelte van een van de strandwallen die er in onze omgeving zijn. Deze zandruggen lopen evenwijdig aan de kustlijn. Daar tussendoor stroomden talrijke stroompjes naar de Oude Rijn, de nu nog bestaande “weteringen”. Verder werd dit gebied gekenmerkt door veel bossen en ook lager gelegen (drassige) vlaktes, die werden benut voor veeteelt en akkerbouw.
Vele eeuwen geleden werden de strandwallen spaarzaam bewoond door boeren die leefden in kleine leefgemeenschappen. Er zijn resten gevonden van menselijk bestaan door opgravingen in het oude dorpscentrum. Fragmenten van aardewerk uit de IJzertijd. En sporen van bewoning in het begin van de Middeleeuwen.De beschrijving van dit gebied bij de oude nederzetting van waaruit Wassenaar is ontstaan, is gelijk aan de aardrijkskundige gesteldheid van het brede kustgebied langs de Noordzee tussen België en Denemarken. Het was ook het woongebied van de Friezen. Wanneer wij in onze tijd het hebben over missie van Willibrord onder de Friezen, dan zijn we geneigd daarbij te denken dat zich dat afspeelde in wat thans de provincie Friesland is. De Friezen echter woonden in een veel groter gebied. Namelijk de streek die thans wordt aangeduid met West-Vlaanderen, Zeeland. Brabant, Zuid- en Noord-Holland, Friesland, Groningen en Sleeswijk-Holstein.
Door de Frankische vorsten was echter in 690 het zuidelijk deel van dit Friese gebied tot aan de Waal, de Lek en de Rijn veroverd.In dit grensgebied tussen het Frankenland in het zuiden (reeds in belangrijke mate gekerstend) en in het noorden de “heidense” Germaanse stammen, landde in het jaar 690 in de uitmonding van de Oude Rijn de Angelsaksische monnik Willibrord met 11 medebroeders. Tussen Katwijk en Wassenaar zette hij, na een niet ongevaarlijke overtocht met een kleine open boot, voet aan wal voor een pelgrimstocht om de Germaanse stammen te bekeren. Zoals de Friezen, die nog niet of nauwelijks met het christendom kennis hadden gemaakt en in hun dagelijks leven sterk beheerst werden door angst voor natuurkrachten en boze demonen.Willibrord was niet de eerste missionaris onder de Friezen. Vóór hem werd het christendom gepredikt door de Frankische monnik Wulfram. Het verhaal gaat dat het hem bijna was gelukt om de Friese koning Radboud te dopen. Toen Radboud al met een been in het doopvont stond vroeg hij aan Wulfram of hij in de hemel ook zijn voorouders zou ontmoeten. Beslist niet, antwoordde Wulfram, want dat waren heidenen en die komen niet in de hemel. Toen trok de verontwaardigde Radboud zijn been terug. De doop ging niet door. Teleurgesteld ging Wulfram terug naar het Frankenland.

Ook twee Angelsaksische monniken hebben de Friezen bezocht. De eerste, Wilfried, abt van het klooster in Ripon en leermeester van Willibrord, overwinterde bij koning Aldgisl (de vader en voorganger van Radboud) op zijn reis naar Rome. Dit in verband met wijzigingen in de gebiedsindeling van de bisdommen in Engeland. Er zijn aanwijzingen dat Wilfried in die periode ook een aantal Friezen heeft bekeerd.
De tweede was Wigbert die in opdracht van Egbert, abt van het klooster in Rathmelsigi in Ierland, twee jaar heeft gemissioneerd onder de Friezen. Echter met weinig succes door tegenwerking van Radboud.
Enkele jaren later zendt abt Egbert de monnnik Willibrord uit om verder te gaan met de missie onder de Friezen.

Wie was Willibrord ?

Willibrord werd in 658 geboren in Northumberland (Engeland). Zijn vader, de edelman Wilgils, en moeder brachten hem toen hij nog kind was naar een klooster. Een in die tijd niet ongebruikelijke gewoonte om jonge kinderen voor hun opvoeding en vorming toe te vertrouwen aan een klooster. Immers, daar kon men kennis nemen van lezen, schrijven, rekenen, latijn, godsdienstleer en bijbelkennis. Plaatsing op zo’n “kostschool” behoefde niet altijd in te houden dat de leerlingen ook kozen voor een later kloosterleven.
Willibrord koos wel daarvoor. Hij trad op vijftienjarige leeftijd in als monnik van het klooster in Ripon. Toen hij ongeveer twintig jaar oud was besloot hij (evenals meerdere Engelse monniken hadden gedaan) in te treden in het Ierse klooster te Rathmelsigi. Als verklaring daarvoor wordt wel gegeven dat Willibrord werd aangetrokken door de meer rijke spiritualiteit van het Ierse kloosterleven, dat nog zo herkenbaar aansloot bij de vroeg christelijke traditie. Met name bij die van de oude “woestijnvaders”, die vanaf de 3e eeuw in Egypte de eerste kloostergemeenschappen hadden gesticht. Het is niet duidelijk of de kwestie van de herindeling van de Angelsaksische bisdommen voor hem mede een overweging is geweest om naar Ierland te vertrekken.
Andere bronnen voegen daar aan toe dat het kloosterleven in Ierland een sterkere binding had met de paus dan in Engeland het geval zou zijn. Hetgeen Willibrord sterk aansprak.

Willibrord verbleef ongeveer twaalf jaar in het klooster te Rathmelsigi. In deze periode werd hij ook tot priester gewijd. Geleidelijk groeide in hem het verlangen om zich meer in te zetten voor het actieve leven van missioneren dan te verblijven in een klooster dat zich hoofdzakelijk concentreerde op een beschouwend leven. Zijn abt Egbert steunde hem hierin. En zo kwam de dag dat hij vertrok voor prediking op het vasteland. Een pelgrimstocht met als doel de heiliging van de medemens.

Het missiegebied van Willibrord

Alhoewel Willibrord het land van de Friezen had gekozen voor zijn missiearbeid, trok hij na aankomst aan de kust van ons land naar het zuiden. Naar het Frankenland. Na het vertrek van de Romeinen werd dit gebied geregeerd door de Frankische koningen. Het eigenlijke bestuur van de deelgebieden daarvan werd uitgeoefend door hofmeiers. De hoogste ambtenaren aan het hof van de koning. Met een daarvan, Pepijn II, zocht Willibrord nu eerst contact. Hij wilde zich namelijk verzekeren van zijn politieke steun en financiële medewerking. Het kostte Willibrord niet veel moeite die ook te verkrijgen. Pepijn zag snel de politieke voordelen van het bekeringswerk van de Angelsaksische missionarissen.

Tussen de jaren 690 en 695 bouwt Willibrord zorgvuldig zijn thuisbasis in het Frankenland op. Waarschijnlijk opereerde hij vanuit Antwerpen. Hij richtte steunpunten op ten zuiden van de grote rivieren en ook in enkele delen ten noorden daarvan, die door nieuwe veroveringen van Pepijn onder Frankisch bestuur waren gekomen.
In deze periode (691 ?) reist Willibrord naar Rome om de officiële goedkeuring van paus Sergius voor zijn missiewerk te verkrijgen. En deze werd hem uiteraard onmiddellijk verleend.

In het jaar 695 vertrekt Willibrord op verzoek van Pepijn opnieuw naar Rome om door paus Sergius tot “aartsbisschop van de Friezen” te worden gewijd. Hij werd dus niet benoemd tot aartsbisschop van Utrecht, maar tot aartsbisschop van een volk. De stad Utrecht, gelegen in het machtsgebied van de Franken, werd wel de stad waar Willibrord zijn “zetel” had. Het was een goede “uitvalbasis” voor zijn missiearbeid. In Utrecht liet Willibrord een kerk bouwen en een klooster met een kloosterschool, die spoedig in de stad en omgeving grote faam verwierf. Leerlingen van deze school werkten later mee bij de missionering van de Friezen.

Willibrords missietocht bij de Friezen

Na het jaar 695 breidde Willlibrord zijn missioneringsactiviteiten ook uit tot de Friese gebieden in het noorden. Tot in Sleeswijk-Holstein en Denemarken. Interessant is hierbij te vermelden dat de missionarissen nauwelijks taalproblemen hadden in hun contacten met de Friezen. In die tijd waren de onderscheiden talen nog zo met elkaar verwant dat ze elkaar verstonden.

Het was voor Willibrord en zijn gezellen een tijd van onafgebroken reizen, prediken en bouwen. Hier en daar werden parochies gesticht, kerkjes en kloosters gebouwd. Centra van waaruit de meer afgelegen nederzettingen konden worden bereikt.

Integenstelling tot het Frankenland bestond bij de Friezen geen sterk centraal gezag. De bevolking leefde in kleine dorpjes die ver van elkaar waren verspreid. Elke nederzetting had een eigen stamhoofd. De hoogste wetgever en legeraanvoerder in Willibrords tijd was koning Radboud. Hij was sterk anti-christelijk omdat het de godsdienst was van aartsvijand de Franken. Merkwaardigerwijs trad Radboud desondanks Willibrord met enig ontzag beleefd tegemoet.

Willibrords bekeringsmethode

Die was bepaald niet altijd zachtzinnig. Om de Friezen duidelijk te maken dat hun goden niets voorstelden, werden heilige eiken omgehakt, godenbeelden stukgeslagen en heilige bronnen ontwijd.
Een methode die gezien moet worden als passend in de geest van die tijd. Ze waren zelfs in een richtlijn van paus Gregorius I (590-604), aan missionarissen aanbevolen. De Angelsaksische missionarissen pasten deze drastische bekeringsmethode toe om daarmee de macht van hun God en de onmacht van de Germaanse goden aan te tonen. Er kwam immers geen straffende bliksemstraal van Wodan uit de hemel om de “heiligschenner” te doden.

De geloofsverkondiging was eenvoudig en direct. De basis werd gelegd door het leren van het Onze Vader, de geloofsbelijdenis en de tien geboden. Als men dit kende kon men worden gedoopt. De missionarissen trokken dan verder. Vanuit een in een bepaalde regio gestichte parochie zou wat verder nog heilzaam en leerzaam was, wel worden verkondigd.

Grote schade aan het missioneringswerk van Willibrord en zijn medebroeders werd aangebracht toen in 714 Pepijn overleed. Radboud maakte meteen gebruik van het wegvallen van de Frankische macht door grote stukken grondgebied op de Franken te heroveren. Kerken en kloosters werden verwoest en de missionarissen werden verdreven. Willibrord trok zich terug in het door hem vroeger gestichte klooster in Echternach.

In 718 begon Karel Martel, de opvolger van Pepijn, met de herovering van de verloren gegane Frankische gebieden. Dat lukt snel toen in 719 Radboud overleed. Het herstel van de Frankische macht werd zelfs voltooid met het onderwerpen van het Friese kerngebied.

Willibrord, inmiddels ruim zestig jaar oud geworden, haastte zich terug om de schade te herstellen. Hij kreeg hierbij de assistentie van de in midden-Duitsland werkende Bonifacius. In een paar jaar tijd was de heropbouw van het aartsbisdom van de Friezen gerealiseerd.

Gelukkig in Gods naam

Na deze inspannende arbeid trok Willibrord zich terug in de door hem gestichte abdij van Echternach. Op zeventigjarige leeftijd schrijft hij in de marge van zijn kalender de naar zijn mening belangrijkste gebeurtenissen van zijn leven en zijn missiewerk. Volgens sommige bronnen was de ijverige pionier van de Friese kerk moegestreden. “Hij verlangde naar de hemel”.

De tekst op Willibrords kalender luidt:

“In de naam des Heren kwam Clemens Willibrordus in het jaar 690 na Christus’ geboorte over zee naar het Frankenland en in de naam des Heren werd hij in het jaar 695 na ‘s Heren geboorte – hoewel hij onwaardig was – in Rome tot bisschop gewijd door de apostolische man, Heer Sergius, Paus. Nu echter leeft hij in de naam van God in het jaar 728 na de geboorte van onze Heer Jezus Christus gelukkig”.

Drie zaken vindt hij kennelijk belangrijk: zijn overtocht naar het vaste land van Europa omstreeks 690, zijn bisschopswijding in 695 door paus Sergius I, die hem de naam Clemens gaf, en het feit dat hij op het eind van zijn leven tevreden mag terugzien op zijn ruim veertigjarige missiearbeid.

Het is de enige tekst die Willibrord zelf ons heeft nagelaten. Alle overige gegevens over hem zijn geschreven door tijdgenoten. Misschien roept dat wat verbazing op. Maar kennelijk was Willibrord niet het type van de middeleeuwse monnik die zijn leven sleet met het overschrijven en illustreren van bijbelteksten, liturgische verhandelingen en andere stichtelijke geschriften.
Willibrord was een man van de praktijk. Een echte missionaris die er op uit trok om het geloof te verkondigen, te dopen en kerken en kloosters te bouwen.

Clemens Willibrordus overleed 7 november 739
op 81-jarige leeftijd in de abdij van Echternach
waar hij ook werd begraven.

Willibrord …. patroonheilige

Willibrordus is de patroon van Nederland, van het bisdom Utrecht en van meerdere gemeenten in Nederland.

Vele kerken in Nederland zijn toegewijd aan Sint Willibrordus.
En in de lange rij van beroepen en beroepsgroepen die een bepaalde heilige als patroon hebben gekozen, komt ook Willibrord voor als patroon van de herbergiers.

Van de vele kerken die Willibrordus als patroon hebben kennen de Wassenaarders natuurlijk de Willibrorduskerk in de Kerkstraat. En dan is het verleidelijk om te veronderstellen, of zomaar aan te nemen, dat Willibrord met zijn gezellen in 690 in Wassenaar voet aan wal heeft gezet en op de plek waar thans de Oude Dorpskerk staat een houten kerkje heeft gebouwd. Maar er zijn sterke aanwijzingen dat dit in Oegstgeest moet zijn gebeurd.

De maker van het gebrandschilderde raam in de Wassenaarse Willibrorduskerk waarop onze patroonheilige staat afgebeeld, was kennelijk ook deze mening toegedaan. Daar staat namelijk een afbeelding op van het oude kerkje in Oegstgeest. (lange tijd heette dat kerkje “het groene kerkje” omdat vele jaren de muren waren begroeid met klimop). In ieder geval is het een gegeven dat Oegstgeest wordt genoemd in bronnen waar Willibrord kerken heeft gebouwd, respectievelijk plaatsen zijn, die tot zijn bezit behoorden. En ook wordt Oegstgeest genoemd als moederkerk van Holland, evenals Heiloo, Velsen, Petten en Vlaardingen.

Overigens zij nog vermeld dat als een kerk Willibrordus als patroonheilige heeft, die beslist niet inhoudt dat die kerk, of de voorganger daarvan, door hem is gesticht. Willibrord stelde namelijk door hem gestichte kerken veelal onder bescherming van: De Heilige Drievuldigheid, Johannes de Doper, De Verlosser (Salvator), St. Martinus, de Maagd Maria, Petrus en Paulus.

Willibrords bedevaartplaatsen

Om door de Katholieke Kerk te worden erkend als bedevaartplaats moet aan een aantal eisen worden voldaan.
Kort samengevat zijn deze: 1. Er moet een vaste, heilige ruimte zijn. 2. De bezoekers moeten die ruimte (locatie) als buitengewoon heilzaam ervaren. 3. De aandacht dient uit te gaan naar een bepaald object. Zoals: een beeld, een relikwie, een bron of een gedachteniselement. 4. De bezoekers ondernemen een kortere of langere reis om deze plaats te bereiken. 5. Aan deze plaats zijn tevens een of meer tradities verbonden.

Er zijn in Nederland 14 erkende bedevaartplaatsen ter ere van Sint Willibrordus. Dat wil zeggen: het zijn bedevaartplaatsen die voldoen aan de gestelde eisen en als zodanig staan vermeld in het lexicon “Bedevaartplaatsen in Nederland”.
(In dit standaardwerk staan ook nog 13 bedevaartplaatsen ter ere van Willibrord genoemd die niet aan de genoemde eisen voldoen.)

De erkende bedevaartplaatsen zijn:

Alphen (Noord-Brabant)
Tot in het begin van de 20e eeuw namen de bedevaartgangers uit Alphen en omgeving water mee uit een kuil in de woeste gronden even buiten het dorp. Deze zogenoemde Willibrordusput zou door toedoen van de heilige zelf ontstaan zijn. In het Willibrordjaar 1939 is de put herontdekt en werd er een kapelletje gebouwd. Maar een druk bezochte bedevaartplaats is het niet meer geworden.

Bergschenhoek (Zuid-Holland)
Omstreeks 1850 ontstaan als initiatief van leken met een missionair doel. Spoedig werd de bedevaart van Rotterdamse mannen naar Bergenschenhoek onder de hoede van de geestelijkheid gesteld. Na ruim 30 jaar is de bedevaart weer verlopen.

Berkel (Noord-Brabant)
Een Willibrorduskapel te Berkel wordt voor het eerst vermeld in het jaar 1214. St. Willibrord werd er van de 16e tot in de 20e eeuw bijzonder vereerd, samen met Maria. Tot in de 20e eeuw bestond het gebruik om bij het beeld zakjes rogge te offeren. Hij werd vooral aangeroepen bij kinderziekten. In het begin van de 20e eeuw werd nog water gebruikt uit een naast de kerk gelegen putje. Tegenwoordig viert men alleen nog het patroonfeest in de parochie.

Diessen (Noord-Brabant)
Sinds de 8e eeuw bezat de abdij van Echternach, gesticht door Willibrord, goederen in Diessen. Uiterlijk in de late middeleeuwen ontstaat de verering van Willibrord in Diessen. Talrijke bedevaart-gangers kwamen af op het wonderdadige water van de Willibrordusput, dat vooral gebruikt werd voor genezing van kinderen. Ook werden er relikwieën van Willibrord vereerd. In de 18e eeuw is de bedevaart verlopen tot een lokale cultus en daarna verdwenen. Omstreeks 1900 herleefde de verering onder de naam “Diessense Pinksteren”. Dit feest heeft thans het karakter van een braderie.

Geijsteren (Limburg)
De verering van Willibrord bestond in Geijsteren met zekerheid al in de 15e eeuw. Uit gegevens vanuit het midden van de 17e eeuw blijkt dat de kapel toen ook daadwerkelijk door bedevaartgangers werd bezocht. En tot de 19e eeuw door pelgrims uit de verre omgeving. In de jaren zestig van de 19e eeuw was de devotie grotendeels verlopen. Aan het einde van de 19e eeuw herleefde de bedevaart dank zij de restauratie van de kapel en de oprichting van een broederschap. In de 20e eeuw is de bedevaart echter weer verdwenen en een lokale verering geworden.

Heiloo (Noord-Holland)
Verondersteld wordt dat er reeds in de vroege middeleeuwen een Willibrordusverering bestond in Heiloo. (Heyligherloo: heilig bos) Pas uit de 17e eeuw dateren de eerste feitelijke berichten van bedevaarten naar de geneeskrachtige Willibrordusput.

Op dat moment was echter al de verering van Willibrord overvleugeld door de bedevaart naar het vlakbij Heiloo gelegen genadeoord O. L. Vrouw ter Nood. Wel is nog sprake van enige wederzijdse beïnvloeding, maar na het midden van de 19e eeuw eindigt de verering rond de put naast het oude kerkje in Heiloo.

‘s-Hertogenbosch (Noord-Brabant)
Het eerst buiten de stad, later binnen de stad gelegen wilhelmieten-klooster Baseldonck werd blijkens een oude oorkonde uit 1614 door bedevaartgangers bezocht om genezing te krijgen van kinderen die leden aan “het gebreck van Sint Willebrort”. Het schijnt hierbij te gaan om rachitis (Engelse ziekte). Eind 17e eeuw is na het vertrek van de kloosterlingen een einde gekomen aan deze bedevaart.

Luissel (Noord-Brabant)
In Luissel wordt sinds 1940 (!) St. Willibrord vereerd als: Apostel van Brabant, Grondlegger van de vrije boerenstand en Beschermer van de zieke kinderen. Belangstellenden komen uit Boxtel en omgeving. Essentieel onderdeel van de verering van Willibrord is de kinderzegen op Tweede Pinksterdag en op Willibrorduszondag. Vanuit Luissel worden bedevaarten naar Echternach ondernomen. In Luissel is de verering van Willibrord nog levendig.

Meijel (Limburg)
De oudste vermelding van de St. Willibrordsput dateert uit 1325. In 1742 wordt gemeld dat de put vroeger algemeen bekend was en bedevaartgangers trok die het water uit de put dronken om te genezen van koorts. Tot in de eerste helft van de 19e eeuw kwam men hiervoor uit de omgeving nog naar de put. Toen ontstond de overlevering dat Willibrord op de plek van de put gepreekt en gedoopt heeft. Door toedoen van enkele plaatselijke parochieherders kwam de (lokale) devotie rond de put weer tot leven tussen 1899 en 1915. Alsmede rond de Tweede Wereldoorlog en van 1953 tot circa 1960.

Obbicht (Limburg)
Rond de helft van de 19e eeuw ontstond de devotie voor Willibrord in Obbicht. Een relikwie van de heilige werd vereerd en er was gewijd water verkrijgbaar. Aangezien Willibrord een populaire heilige was tegen keelziekten werden de plechtigheden in Obbicht ook door vereerders uit de omgeving bezocht. Sinds 1960 herinnert niets meer aan een bedevaart.

Oss (Noord-Brabant)
De Willibrordusput bij Oss wordt vanaf de 14e eeuw in schriftelijke bronnen genoemd, maar is waarschijnlijk ouder. Bij de put heeft een kapel gestaan en een Willibrordusboom. Ter plekke is een boomstam opgegraven uit de periode 900 – 1250. Volgens overlevering heeft Willibrord tijdens zijn leven de plaats bezocht. Eeuwenlang gold het water uit de put als een heilzaam middel, vooral tegen koorts. De komst van bedevaartgangers staat vast voor de periode van de 17e tot en met de 19e eeuw, maar is waarschijnlijk van een veel oudere traditie.

Riethoven (Noord-Brabant)
Volgens de auteur Stephanus Hazewinkel (± 1800) bestond er in zijn tijd een Willibrorduscultus te Riethoven die ook bezoekers van buiten het dorp aantrok. Tot in de 20e eeuw werd de heilige door bedevaartgangers vereerd als patroon tegen Engelse ziekte.

Teteringen (Noord-Brabant)
Met de verering van een relikwie van St. Willibrord ontstond na 1710 in Teteringen op de tweede zondag na Pinksteren de “Kindjesmis”. Moeders konden op die dag onder aanroepen van Willibrord hun kinderen in de parochiekerk laten zegenen. Vanaf het tweede kwart van de 20e eeuw kreeg de Willibrordverering in Teteringen ook een agrarisch karakter met de zegening op de eerste zondag in november van paarden en landbouwwerktuigen. Sinds de Tweede Wereldoorlog is er in Teteringen alleen nog een lokale Willibrordverering.

Westkapelle (Zeeland)
Westkapelle is het oudste bedevaartsoord van Walcheren. Er werd aangenomen dat Willibrord hier zou zijn geland en begonnen met zijn prediking. In de voormalige Willibrordkerk vereerden pelgrims eeuwenlang bloedsporen van de heilige die zouden zijn ontstaan toen hij werd aangevallen bij het vernietigen van een afgodsbeeld. Ook werden in die kerk relikwieën vereerd die door de abdij van Echternach waren geschonken. Westkapelle was bedevaartplaats in de periode van de 11e eeuw tot circa 1573.

Wat bij het lezen van de omschrijvingen van deze bedevaartplaatsen opvalt is dat naar vrijwel geen enkele daarvan nog bedevaartgangers trekt. De verering van Willibrord is ofwel nagenoeg verdwenen of teruggebracht tot een viering op of omstreeks 7 november. Vervolgens geven de omschrijvingen een duidelijk beeld wat de inhoud was of nog is van de verering van Willibrord. Vooreerst de genezende kracht van het water dat op miraculeuze wijze in talrijke plaatsen en gebieden uit de grond opwelde als hij daar met zijn staf op sloeg. Vooral voor zieke kinderen werd dit water aangewend.

Dit roept een ander beeld op van de waardering voor de eerste grote missionaris van de Friezen dan spreekt uit de boeken die over hem geschreven zijn. Daarin valt de grote nadruk op zijn onvermoeibare ijver en doorzettingsvermogen om Christus’ blijde boodschap onder de heidenen te verkondigen.

Over het uiteindelijke resultaat daarvan lopen overigens de meningen uiteen. In sommige geschriften wordt gesteld dat Bonifatius aan de paus zou hebben bericht teleurgesteld te zijn over het succes van de missiearbeid onder de Friezen. Welke maatstaven worden overigens gehanteerd om over Willlibrords pelgrimage een oordeel uit te spreken ? Willibrord zelf was er in alle bescheidenheid gelukkig mee. “Gelukkig, in Gods Naam”. Wat ons past is dankbaar te zijn voor het geloof dat ons werd geschonken !

Willibrordus legenden

Geneeskrachtige waterputten en bronnen.
Willibrord heeft tijdens zijn tochten door het land van de Friezen een spoor van waterputten en bronnen achter zich gelaten. Het is niet onomstotelijk, wetenschappelijk te bewijzen dat al die putten en bronnen zijn ontstaan doordat Willibrord met zijn bisschopsstaf op de grond sloeg. De beweringen dat dit wel zo is zijn zeer hardnekkige overleveringen. En daar kan men niet achteloos aan voorbijgaan. (Waar overigens aan toegevoegd kunnen worden al die bronnen en putten die door toedoen van vele andere heiligen zijn ontstaan.) Aangenomen kan worden dat er putten en bronnen zijn die later aan Willibrord zijn toegerekend. Die horen thuis in deze paragraaf. Niet de anderen. Zo het ook geen legende, maar een wonderbaarlijk gegeven is, dat het water van die putten en bronnen aanwijsbaar heilzaam is voor zieken. Letterlijk en figuurlijk !
Wie hier niet voor open staat moet voorzichtig zijn met de maatstaven die hij of zij hanteert. Immers: “met lengtematen kun je het gewicht niet bepalen”.

De koortsboom.
Een dochter van een heidense hoofdman van de Hoemannen (rovers die het gebied rond Heumen onveilig maakten) werd ernstig ziek. Het meisje dreigde aan de koorts te bezwijken. Nu trof het dat Willibrord net in dit gebied aan het missioneren was. En de hoofdman deed een beroep op de hem. Willibrord trachtte de hoofdman van de Hoemannen niet alleen te bekeren, maar gaf hem ook opdracht een hoofdband van zijn dochter aan een tak van een naburige boom te binden. Dat werd gedaan en …. de zieke dochter was prompt genezen. Haar vader bekeerde zich ogenblikkelijk tot het christendom. Dit tot grote woede van de Hoemannen die toen hun leider doodden. Vervolgens verhaalt de legende dat Karel de Grote ook baat had bij de wonderkracht van de boom. Uit dankbaarheid liet hij er een kapel ter ere van Willibrord bouwen.

Dit is nu een echte legende. Een mooi verhaal met een devote inslag, maar er klopt van alle kanten niets van. Dat hebben historici kunnen aantonen. Maar merkwaardig is wel dat heden ten dage nog steeds lapjes kleding aan de boom worden gehangen om genezing te vragen van koorts, maar ook bevrijd te mogen zijn van examenvrees. En dat laatste hadden ze ten tijde van Willibrord niet.

De bloedsteen.
Toen Willibrord tijdens een van zijn missiereizen aankwam in Westkapelle bemerkte hij dat daar een afgodsbeeld werd vereerd. In de ene versie van deze legende was het een afbeelding van Mercurius, in een andere Wodan. Willibrord bedacht zich geen ogenblik en begon dat beeld te vernietigen. Terwijl hij daarmee bezig was werd hij door de bewaker van het beeld met een zwaard aangevallen. Willibrord raakte verwond en bloed van hem kwam op een losgeslagen stuk steen van het beeld. Die bloedsteen is later in de kerk van Westkapelle verwerkt in de voet van het altaar en vervolgens werd het relikwie die door bedevaartgangers werd vereerd. De legende verhaalt verder dat de metgezellen de aanvaller van Willibrord wilden doden. Willibrord echter voorkwam dat en liet de man vrij. God zelf echter trof de man met straffende hand. Want drie dagen daarna kwam hij op ongelukkige wijze om het leven.
Deze legende wordt op twee wijzen weerlegd. Namelijk het is onwaarschijnlijk dat Willibrord ooit op Walcheren, laat staan in Westkapelle is geweest. En in 786 beweert Alcuin, die het leven beschreef van Willibrord, dat de heilige geen enkel letsel van de aanval op hem heeft ondervonden.
Welnu dan kan er ook geen “bloedsteen” zijn.

Onuitge”put” wijn.
En dan is er ook nog het verhaal dat voor wie bij Willibrord te gast mocht zijn als hij in het klooster te Echternach verbleef, de kruik met wijn nooit leegraakte. Is Willibrord daarom gekozen tot patroon van de herbergiers ?

Heilige Willibrordus.
Al tijdens zijn leven werd Willibrord aangemerkt en geëerd als een heilig man. Bij de kerkelijke en wereldlijke autoriteiten stond hij in hoog aanzien. Het resultaat van zijn bekeringswerk, duizenden werden door hem door het doopsel in de kerk opgenomen, dwong allerwegen respect af. Talrijke kerken en kloosters zijn door hem gesticht.
Zijn heiligverklaring vond, zoals gebruikelijk in die tijd, spontaan plaats. Zonder inmenging van “hogerhand”. Spoedig na zijn dood werd Echternach, waar hij in een praalgraf is begraven, een druk bezochte bedevaartplaats. Met de eeuwenoude traditie van de springprocessie, die overigens meer een toeristische trekpleister is geworden dan een devote uiting van de verering van Willibrord.

In zijn boek “Een heilige diplomaat, of een diplomatieke heilige” stelt Laurent Nouwen enige kritische vragen bij het bekeringswerk van Willibrord. Zoals: “Waarom verzette Willibrord zich niet tegen de slavernij die in zijn tijd nog volop is gebruik was, en waarvan Willibrord op zijn eigen landgoederen zich ook van bediende?” “Waarom had de monnik Willibrord zo veel bezittingen en aanvaardde hij giften van vorstelijke personen die zich ernstig misdroegen ?”. Nouwen zoekt het antwoord in het feit dat Willibrord diplomatieke gaven had. En stelt dan: “Of Willibrord, gezegend met heiligheid én diplomatie nu een heilige diplomaat ofwel een diplomatieke heilige genoemd moet worden, laat ik vol vertrouwen aan mijn lezers ter beoordeling over”.

Ik kan mij niet vinden in deze benadering. De grote waarde van Willibrord als missionerend pionier van de christelijke beschaving in De Lage Landen wordt afbreuk gedaan door bepaalde aspecten van zijn levenswijze en wijze van geloofsverkondiging niet te zien als gevolg van het feit dat ook hij kind van zijn tijd was. En dan verdient Willibrord het, om in dankbaarheid vooreerst geëerd te worden als de grondlegger van het geloof dat wij in onze tijd nog steeds mogen beleven. Ook in onze parochie.